Pehr Hendrik Ling werd in 1776 geboren in het Zweedse Ljunga. Hij was de zoon van een welgestelde predikant. In navolging van zijn vader begon hij in 1793 met de studie theologie aan de universiteit van Upsalla. Maar gaandeweg kwam hij er achter dat hij toch geen predikant wilde worden en stapte hij over op taalwetenschappen. Hij schreef ook graag gedichten. In 1799 ging hij naar Kopenhagen, waar hij tot 1804 filosofie en geschiedenis zou studeren aan de universiteit aldaar. Ook werd hij een fanatiek aanhanger van de schermsport.

In 1803 werd Ling een tijdje ernstig ziek. Toen hij weer beter was probeerde hij terug op krachten te komen met behulp van lichamelijke oefeningen. Het idee dat sport goed was voor je gezondheid begon toen net een beetje op te komen in Duitsland en Denemarken. Ling herstelde zo goed dat hij besloot zich in te gaan zetten voor de sport. Nu had je rond die tijd wel meer mensen die dat deden, vooral in Duitsland. Wat Ling bijzonder maakte was de extreem wetenschappelijke manier waarop hij het aanpakte. Hij had zijn halve leven al op universiteiten rond gehangen en besloot ook sport op die manier goed te leren kennen. Dus ging hij in 1806 naar Stockholm om daar anatomie, fysiologie en mechanica te studeren. Hij wilde zo inzicht krijgen in de werking van het menselijke lichaam en van alle afzonderlijke spiergroepen. Hij kwam tot de conclusie dat het menselijke lichaam onderworpen wordt aan drie krachten: chemische krachten, veroorzaakt door voedsel of medicijnen, mechanische krachten, die van buitenaf komen (bijvoorbeeld zwaarte kracht of krachten van andere mensen) en dynamische krachten die van binnenuit komen. Daarna bedacht hij een systeem waarmee hij gymnastiek in vier groepen kon indelen.

In de eerste plaats was er de pedagogische gymnastiek. Hieronder vallen alle subjectief-actieve oefeningen. Dat wil zeggen dat je zelf het lijdend voorwerp bent, en ook zelf de handelingen verricht. Dit is de meest normale vorm van gymnastiek. Je moet sterker en gezonder worden, maar ook volledig tot innerlijke rust kunnen komen. Het uiteindelijke doel is je lichaam volledig onder controle van je eigen vrije wil te brengen.

In de tweede plaats was er de medische gymnastiek. De oefeningen zijn hier subjectief-passief. Dat wil zeggen dat je weer zelf het lijdend voorwerp bent, maar dat je tracht jezelf te verbeteren met de hulp van iemand anders. Het is een opmerkelijk idee om dit soort handelingen zo bij gymnastiek onder te brengen, de meeste mensen zouden dit soort handelingen bij geneeskunde onderbrengen. Of apart indelen, zoals massage. Bij zijn verdere uitwerking van het systeem laat Ling de pedagogische gymnastiek en de medische gymnastiek geleidelijk in elkaar overgaan, afhankelijk van wat jezelf doet en wat anderen.

In de derde plaats was er de militaire gymnastiek. Die was objectief-actief. Iemand anders was het lijdend voorwerp maar je moest zelf handelen. Simpeler gezegd, je moest je wil opleggen aan iemand anders met behulp van een voorwerp (een wapen) of gewoon met je lichaamskracht. Volgens Ling zijn strijd en competitie heel menselijke dingen en moeten ze daarom ook absoluut terug komen in de sport. De strijd van de militaire gymnastiek staat soms recht tegenover de rust van de pedagogische gymnastiek, in tegenstelling die Ling uit de filosofie heeft over genomen.

En in de vierde plaats was er de esthetische gymnastiek. De oefeningen die hierbij horen zijn objectief-passief. Ling was echter zo onduidelijk met het uitwerken van deze laatste groep, dat men het er in het algemeen over eens is dat hij er zelf ook geen idee bij had en deze groep alleen heeft toegevoegd voor de volledigheid van zijn systeem.

Eigenlijk is Ling iets te ver doorgeschoten met zijn wetenschappelijke aanpak van de sport. Hoewel hij veel lof kreeg voor zijn systeem, kreeg het meer bekendheid bij wetenschappers dan bij sporters en op dit moment beschouwen ook wetenschappers zijn ideeën als achterhaald. Maar hoewel het allemaal wat ingewikkeld was, kon het onder vakkundige leiding toch succes voortbrengen. Ling zelf was in ieder geval ook in de praktijk succesvol. 1812 kreeg hij een aanstelling aan de militaire academie van Stockholm en in 1813 mocht hij daarnaast ook een centraal gymnastiek instituut oprichten om gymleraren op te leiden. Zijn schema’s voor militair werden alom gewaardeerd en het centraal gymnastiek instituut bestaat nog steeds. Om een goed beeld te kunnen geven van waartoe de theorie van Ling nu in de praktijk leiden volgt hier een voorbeeld van de Nederlandse Koninklijke Militaire Academie. Het is gemaakt door de directeur van de militaire gymnastiek- en sportschool, luitenant-kolonel der artillerie Hubert van Blijenburgh, maar het is volledig gebaseerd op de ideeën van Ling.

A. Aandachtsoefeningen. Moet de soldaten scherp maken.

B. Inleidende oefeningen. Moet de bloedsomloop geleidelijk versnellen. Bestaan uit:

– een lichte beenoefening

– een halsoefening

– een armoefening

– een of meer oefeningen voor de rompspieren

– nog een been oefening

C. Kernoefeningen, bestaande uit:

– spanboogoefeningen, altijd gevolgd door afleidende oefeningen

– hangoefeningen

– halsoefeningen, zwaarder dan die onder b

– evenwichtsoefeningen, op de grond en op een toestel

– armoefeningen, beenoefeningen, buikoefeningen, rugoefeningen, allemaal zwaarder dan onder b

– marcheer en loopoefeningen, altijd gevolgd door ademhalingsoefeningen

– zijwaartse oefeningen, zwaarder dan die onder b

– hangoefeningen

– springoefeningen

Het is de bedoeling dat de kernoefeningen tot en met de rugoefeningen krachtige spierwerkzaamheden vereisen. Hierbij ontstaan een hoop afval producten. De marcheer en loopoefeningen die daarna volgen moeten de bloedsomloop stimuleren en daarmee de afvoer van de afvalproducten. De ademhalingsoefeningen moeten de bloedsomloop weer vertragen. Dat wordt daarna nog een keer kort herhaald, de zijwaartse oefeningen en de hangoefeningen vereisen weer zware spier inspanningen, de springoefeningen moeten de bloedsomloop weer versnellen.

D. eindoefeningen, bestaande uit langzaam uitgevoerde oefeningen voor de arm, been, hals en rompspieren.

Het bovenstaande schema dient in vijftig tot zestig minuten te worden afgewerkt. Als je dat meerdere keren per week doet heb je gegarandeerd een goede conditie.

Johan Caspers

Johan Caspers is historicus en schrijft columns over hoe (kracht)sport in de loop van de geschiedenis bedreven werd en wat we daarvan kunnen leren.